Elk object heeft, net als elk schilderij in een kunstgalerie, een optimale afstand van waaraf het bekeken moet worden: (...) bij een kleinere of grotere afstand wordt onze waarneming vertroebeld door overmaat of gebrek. We neigen dus naar het maximaal zichtbare en stellen voortdurend het beeld scherp, als bij het kijken door een microscoop.